Theatermaggezien ®
omdat theater belangrijk is...
ARCHIEF 2000 - 2014

Dora Van der Groen 20 Mei 2003

Geboren te Antwerpen op 10 maart 1927. Opgegroeid in een muzikale en theatergezinde familie – haar vader was cellist in de opera - van Nederlandse komaf.

Dora Van der Groen behoorde tot de eerste lichting van de in 1946 gestarte Studio van het Nationaal Toneel (later Studio Herman Teirlinck) in Antwerpen. Tot die lichting behoorden nog: Ward de Ravet, Tone Brulin, Jef Burm, Roger Coorens, Bertha Pauwels, Bert Struys, Ketty Van de Poel, Pol van Roey. “De rijkste talenten van de jonge generatie waren er samengebracht”, aldus Fred Engelen, naast Teirlinck de leider van de Studio, “het meest vitale en verscheiden talent was wel dat van Dora Van der Groen”.

Een pareltje van haar Studiowerk was de rol van de moeder in “Jonkvrouw Edelwater”, een rol die zij later opnieuw zou spelen bij KVS-Brussel, vanuit een vernieuwde visie, totaal los van haar vertolking in de Studio.

Begon in 1949 haar professionele loopbaan eerst in de KNS in Antwerpen, kort daarna in kleinkunst, poppenspel, poëzie en cabaret samen met haar toenmalige echtgenoot Tone Brulin, onder meer in Cabaret Cyrano en het Nederlands Kamertoneel in Antwerpen. Daarna gaat ze kort terug naar de KNS in Antwerpen en tenslotte speelt ze tot 1963 bij KVS-Brussel.

Tussendoor aanvaardt ze al eens een gastrol en maakt ze in 1955 een opmerkelijk debuut in de film van Roland Verhavert: “Meeuwen sterven in de haven”. In 1956 speelt ze de titelrol in “Gudrun” van Albrecht Rodenbach in Roeselare, naar aanleiding van het Rodenbachjaar. In 1957 treedt ze op als voordrachtkunstenares in Tongerlo voor een Mariahulde, een programma rond Maria in muziek en poëzie.

Bij KNS-Antwerpen oogst ze lof als Lizzy in “De Regenmaker” (Richard Nash) in een regie van Edward Deleu (1955-56). In KVS-Brussel presteert ze opvallend in onder meer “Maneschijn voor de misdeelden” (E. O’Neill), “Maria Stuart” (Fr. von Schiller), “Veel leven om niets” (W.Shakespeare). In “Kat op een heet zinken dak” (T. Williams) in 1961 schittert ze, in een regie van Vic De Ruyter, als Maggy, naast haar tweede man, Wies Andersen (pseudoniem voor Alois de Bois).

Op haar 35ste besluit ze geen toneel meer te spelen in een vast gezelschap. Ze speelt onder meer in een regie van Harry Kümel in “De bank in de tuin” (L’Amante anglaise) van Marguerite Duras (Korrekelder, Brugge) en “Wolfskinderen” (John Peacock) in een regie van Kris Betz in het Ringtheater (Antwerpen). Ze legt zich toe op film, radio (als vaste actrice bij het “dramatisch gezelschap” van de BRT) en televisie (onder meer in “De vorstinnen van Brugge” en “Jeroom en Benzamien”). Een groot filmsucces is haar vertolking van Mies, een verslaafde en mysterieuze maîtresse van een dokter, in: “Dokter Pulder zaait papavers”, in regie van Bert Haanstra (1975).

Als ze in 1971 in de KNS in Antwerpen Arturo Corso bezig ziet als regisseur van “Harlekijn, kies je meester”, is ze weer even gewonnen voor theater en slaat ze het aanbod voor een rol in “Mistero Buffo” (Dario Fo) in Corso’s regie niet af. Deze “volksruwe, taaie rode maar ontroerende lekenpassie” wordt een baanbrekende productie, met duidelijke gedrevenheid gespeeld door een gelegenheidsgezelschap van Frans- en Nederlandstalige spelers, gesteund door Maurice Huisman van de Muntschouwburg in Brussel. Uit die groep en onder impuls van Corso, Charles Cornette en Hilde Uitterlinden ontstaat dan de Internationale Nieuwe Scène, die met hernemingen van “Mistero Buffo” wereldnaam maakt, maar daar is Dora Van der Groen niet meer bij. Ze wil zich nog altijd niet vastpinnen op een vast theatergezelschap en kan zich niet verzoenen met de idee, dat ze als actrice ook een politiek standpunt heeft te verdedigen.

Vanaf 1978 is ze artistiek leider van de toneelafdeling van het Conservatorium van Antwerpen, door velen beschouwd als een tegenhanger van Studio Herman Teirlinck. Onder haar impuls zijn heel wat hervormingen doorgevoerd. “Niet de zetel maakt je gelukkig, wel hoe je je voelt als je erin zit”, is een van haar gevleugelde uitspraken in dit verband. Lucas Vandervost, Luk Perceval, Johan Van Assche, zijn enkele van haar leerlingen die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig bij Dora afstudeerden en dan op hun beurt het theaterlandschap in Vlaanderen sterk hebben beïnvloed en nog beïnvloeden.

Is het als een logisch gevolg van haar visie op theater en haar manier van lesgeven, dat ze vanaf 1991 ook enkele keren gaat regisseren? Het is veel meer de “grote behoefte aan een nest”, de behoefte zich buiten de opleidingsopdracht in het conservatorium veilig te kunnen voelen. Het is haar oud-leerling Ivo Van Hove, die haar vraagt om in Eindhoven bij het Zuidelijk Toneel - zijn gezelschap - regie te komen doen. Dora Van der Groen kiest niet alleen zeer zorgvuldig de teksten, ze kiest ook de spelers, waaronder een aantal oud-leerlingen, die inmiddels zelf al baanbrekend werk hebben verricht met een eigen groep.

Achtereenvolgens regisseert ze bij het Zuidelijk Toneel: “Thyestes” (Hugo Claus), “Abele Spelen” (middeleeuws anoniem), Decadence (Steven Berkoff, Brick de Bois), “Phaedra” (H. Claus), “De Cenci” (Percy B. Shelley, K.H. De Raaf), “De kus van de spinvrouw” (Manuel Puig). “Mijn stukken hebben de uitdaging van het extreme. Ze moeten grenzen overstijgen en aan dimensies komen die zelden aangeraakt worden in ons leven of misschien wel nooit…” (in een gesprek met Eddy Geerlings, Algemeen Dagblad, 15.10.1995).

In het over en weer geloop en geroep een paar seizoenen geleden in Antwerpen naar aanleiding van de fusie die de overheid heeft doorgevoerd om van twee verschillende opleidingsinstituten binnen een zelfde stad, één school te maken, was Dora Van der Groen eventjes de geknakte roos die haar levenswerk bedreigd zag. Het was voor iedereen die met de opleiding van toneelspelers begaan is een moeilijke periode waaruit Dora als symbool van verzoening is tevoorschijn gekomen.

Veel prijzen zijn er haar tot nu toe niet ten deel gevallen en bij het grote publiek is ze wellicht nog altijd het best bekend vanwege haar televisiewerk en de vele films. In 1991 kreeg ze de Thaliaprijs van de krantengroep Het Laatste Nieuws. In 2001 werd haar, “de moeder van de Vlaamse theatergolf, de clown én de tragédienne”, terecht en niet meer te vroeg, de prijs van de Vlaamse theatercritici, de Thersitesprijs, toegekend.

Dit artikel werd reeds 356 keer gelezen.auteur(s):Roger Arteel