Theatermaggezien ®
omdat theater belangrijk is...
ARCHIEF 2000 - 2014

Artiestenuitgang
Bij het overlijden van Luc Philips en andere “komedianten”.
16 Augustus 2002

Mensen die talloze kijkers en luisteraars hebben ontroerd, hebben doen lachen en wenen, die boegeroep of applaus hebben uitgelokt, blijken dan toch ook te moeten sterven. Velen van hen krijgen echter een tweede leven in de herinnering en op zeldzame foto’s, maar, en dat is steeds meer het geval, vooral in film- en televisiebeelden. Niet alle grote acteurs of actrices hebben echter hun grootheid te danken aan film en/of televisie. En het is wel jammer dat die media dan hun macht aanwenden om diegenen die ze als hun “vedetten” beschouwen, in een eenzijdig daglicht te stellen en het bij hun overlijden zo voor te stellen alsof theater maar een bijzaak was, daar waar het in de meeste gevallen van uitzonderlijk groot belang is geweest in het leven en de loopbaan van de overledene.

Dit moest even van het hart naar aanleiding van het heengaan van onder meer Yves Robert, Dré Poppe, Denise Daems en Luc Philips.

Yves Robert

De komiek Yves Robert is op 10 mei 2002 te Parijs overleden. Hij werd op 19 juni 1920 te Saumur geboren en volgde toneellessen in Lyon. Yves Robert speelde onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog heel wat rollen in een van de voornaamste cabarets in Parijs, La Rose Rouge, waar hij Rosy Varte als partner had, die bij Jean Vilar in 1958 naam maakte als Mère Ubu, in “Ubu Roi” van Alfred Jarry. In La Rose Rouge werden nieuwe formules uitgewerkt, onder meer aan de hand van “Exercices de style” van Raymond Quenau, een schrijver die tot heel wat improvisatietheater aanleiding heeft gegeven. In La Rose Rouge werd ook werk gemaakt van het parodiëren van moordverhalen en menig jong talent werd er gevormd, talent dat echter voor een groot deel verloren besteed werd in het boulevardtheater en in de nieuwe media. En zo is het ook Yves Robert (die gehuwd was met Daniële Delorme) voor een deel vergaan.

Denise Daems

Tijdens haar vakantie op het Griekse eiland Lesbos is Denise Daems op 4 juli 2002 onverwacht overleden aan een allergische reactie op een insectenbeet. Ze werd 59 jaar. Het bericht komt van het EWT (Eigentijdse Werkgroep Teater) in Deurne (Antwerpen), waar Denise Daems sinds november 1991 deel uitmaakte van de vaste kern. Het EWT is één van de vroegere “kamertonelen” die in de jaren zeventig voor avant-garde en experiment opteerden, zonder daarom elitair te doen of het. “lach-en-traan-repertoire” te schuwen. Acteurs en actrices zoals René Verheezen, Guusje van Tilborg, Serge-Henri Valcke, Alex Wilequet, Annie Van Lier, zijn er aan het werk geweest. Ook Denise Daems was in die eerste jaren al eens van de partij. Door allerlei omstandigheden is het EWT al langere tijd overgeschakeld naar een meer culinair theater dat in de randstad blijkbaar een functie heeft. In het vorige seizoen werd de kaap van de 10.000 bezoekers overschreden. De inzet van de comédienne en vooral gevoelige actrice Denise Daems zal daar ongetwijfeld hebben toe bijgedragen.

Denise Daems begon met acteren bij het Fakkelteater in Antwerpen zo’n 35 jaar geleden, waar ze uiteenlopende rollen vertolkte. Ook bij het toenmalige Jeugdtheater werkte ze als gastactrice. Sinds 1991 is ze vooral bij het EWT als actrice aan het werk geweest, vaak samen met haar man Theo Van Baarle en ook al eens als regisseur. Op de televisie was ze onder meer te zien in “Drie mannen onder één dak”, “Sterke verhalen” (van Luk Wijns), “Wittekerke”, “Familie”. Haar veeltaligheid bracht haar ook in Franstalige producties.

Dré Poppe

Op 13 juli 2002 overleed in Oostende Dré Poppe, een regisseur en vooral een “bezieler” die onlosmakelijk verbonden is met de kwalitatieve ontwikkeling van het theater in Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog. Hij werd op 26 mei 1922 in Oostakker geboren en stond in Gent aan het begin van een aantal merkwaardige initiatieven, zoals de stichting van Toneelstudio 50 (met o.a. Walter Eysselinck), een haast logisch gevolg van de cursussen toneelgeschiedenis die Poppe doceerde aan de Gentse Toneelschool (niet te verwarren met het Conservatorium). Toneelstudio 50 ging in 1955 over in Arca, met Dré Poppe als directeur, regisseur en eventjes ook acteur. In 1965 werd Poppe de eerste directeur van het pas gestichte Nederlands Toneel Gent (NTG), het vaste gezelschap van de Gentse Koninklijke Nederlandse Schouwburg aan het St.-Baafsplein. Door onenigheid met de Raad van Bestuur van het NTG was Poppe er slecht twee seizoenen in functie. Op 28 april 2001 heeft Jean-Pierre De Decker, als directeur van het Publiekstheater Gent, dat een fusie is van het NTG en Arca, als erkenning van Poppe’s artistieke verdiensten en invloed én als een eerherstel voor de vroegere miskenning, Dré Poppe tot “peter” van het nieuwe Gentse gezelschap uitgeroepen. Weinig tijd daarna is De Decker plots overleden en ook het overlijden van Dré Poppe komt voor diegenen die hem vorig jaar in Gent gehoord en gezien hebben, vrij onverwacht.

Menig toneelspeler en regisseur heeft, zoals Jean-Pierre De Decker, in Poppe een leermeester gezien, een man die als geen ander het ambachtelijke en de verbeeldingskracht wist te combineren tot een artistiek geheel dat voor de toeschouwer toegankelijk bleef. Of hij nu met beroepsmensen of met amateurs werkte, Poppe had ook het hart en het talent van een leraar. Hij was trouwens van 1962 tot 1987 docent aan het RITCS (Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding) in Brussel, dat nu het RITS is. Zijn pedagogisch talent kwam hem ook nog van pas toen hij, van 1960 tot 1965 en van 1967 tot 1988, bij de televisie ging werken en met hoofdzakelijk theatermensen televisiedrama moest maken, er wel op lettend dat het geen verfilmd toneel werd.

Televisiekijkend Vlaanderen kent Dré Poppe ongetwijfeld van een paar tv-reeksen, waaronder “Klein Londen, Klein Berlijn” uit 1988, naar een scenario van Rudy Geldhof (1942-1992), van wie Poppe ook “Lente” voor de BRT had verfilmd (1983), een bewerking door Geldhof van de gelijknamige novelle van Cyriel Buysse.
De uitspraak van Geldhof, dat je als auteur met theater alleen in Vlaanderen je brood niet kan verdienen, gold blijkbaar ook voor regisseurs als Dré Poppe en ze geldt ook nog steeds voor menig acteur.

Luc Philips

Luc Philips (1986)
(c) Luc Monsaert
In de nacht van 25 op 26 juli 2002 is in Zoersel acteur Luc Philips overleden. Hij was 87 jaar en tot voor een paar jaar nog zeer actief als toneelspeler. Een bronchitis na een onderkoeling is hem fataal geworden.
Met het heengaan van Luc Philips is weer een van die populaire Vlaamse acteurs weg, die het allemaal hebben meegemaakt: de roerige jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog en het behelpen daarna om theater in Vlaanderen te maken tegen alle nieuwe vooroordelen en financiële beslommeringen in. Misschien is Philips zoniet de laatste dan toch een van de laatste pioniers geweest die straffe verhalen konden vertellen over hoe ze in moeilijke omstandigheden “de stiel” hebben geleerd en hoe ze helemaal onderaan de ladder zijn begonnen. Zo is Luc Philips ooit gestart, eerst als “liefhebber”, dan als conservatoriumleerling na de werkuren, tenslotte als “beroeps”: maar telkens van onderaan. Joris Diels van de KNS in Antwerpen wou Luc Philips niet als acteur: hij vond hem te klein, maar als toneelmeester kon het, na een schriftelijke toegangsproef! Daarenboven was het volop oorlog en Luc Philips wilde absoluut spelen. Hoe het hem gelukt is, kan je nalezen in het boek dat Jean-Pierre De Lamper in 1990 bij de Standaard Uitgeverij (Antwerpen) publiceerde: “Luc Philips, een mens met duizend levens”.
Luc Philips & Robert Marcel
(c) Persdienst VRT
Inmiddels is Luc Philips tot het cultuurpatrimonium van geheel het Vlaamse land en wellicht een stukje daarbuiten, gaan behoren. Acteurs en actrices kunnen populair zijn, maar zo populair als Luc Philips zijn er maar weinig geworden. Dat betekent ook dat iedereen, elk individu en elke instantie, meent het recht te hebben de artiest als zijn eigendom te kunnen beschouwen. Het “establishment” legt graag beslag op de kunst en de kunstenaar. En daar is Luc Philips zeer ver in mee gegaan, in zover dat het establishment op de duur alleen nog weet blijkt te hebben van zijn populairste optredens, zeg maar meest toegankelijke voorstellingen en eigenlijk vergeet dat hij een kunstenaar is en in zijn kunstenaarsschap ook naar hogere, minder toegankelijke toppen heeft gestreefd.

Typisch is dat de berichtgeving bij het overlijden van Luc Philips hoofdzakelijk draaide rond zijn televisieactiviteiten en nauwelijks over zijn theaterwerk bericht werd, alhoewel dit zijn eigenlijke roeping en grootste voldoening was.

De kunst van Luc Philips bestond er in dat hij perfectie zocht in het ambachtelijke zowel als in het emotionele. Dat houdt in dat zijn acteren een hoge graad van waarachtigheid had, gestoeld op een sterke authenticiteit. Maar ook eigenzinnigheid en een sterk gevoel voor discipline, waardoor Philips van zijn tegenspelers geen vrijpostigheid of mentale afwezigheid tijdens het spel op de scène kon dulden.

Luc Philips en Jo De Meyere
(c) Luc Monsaert
Philips was geen schaduwloper, geen imitator, geen uitvoerder. Hij was een spontane vinder, een voortdurende schepper, een steeds opschietende fontein. De kunstvijver van Philips stond nooit droog, er borrelde altijd water in. Zijn pretoogjes bleven glinsteren, ten teken van niet aflatende creativiteit. Het was dan ook een koude douche voor deze kunstenaar te moeten ondervinden dat een acteur, eens met pensioen, door de administratie van het ministerie niet als een scheppend kunstenaar wordt erkend, maar als een “uitvoerder” en daardoor zeer beperkt wordt inzake bijverdienen. Die opvatting heeft Luc Philips lelijke parten gespeeld die hij gelukkig door de vele aanbiedingen die hij tot op hoge leeftijd kreeg, gemakkelijk te boven kwam. Dat hij ook toegaf aan de druk van het commerciële amusement heeft dan ook meer te maken met zijn voortdurende drang tot creëren dan de financiële noodzaak of de zucht naar bekendheid.

In de geschiedenis van het toneel in Vlaanderen staat geboekstaafd dat het Mechels Minatuur Theater (MMT) zijn ontstaan dankt aan een groep afgestudeerden uit de toneelklas van het Mechelse Conservatorium, die in 1956 besloten in te gaan tegen het bedenkelijke peil dat het toneelaanbod dan in Mechelen haalde. Ze richtten een eigen groep op onder impuls van hun leraar Luc Philips en maakten een eigen zaaltje klaar waar 50 mensen binnen konden. In de gesprekken met Jean-Pierre De Lamper voor zijn boek “Luc Philips, een mens met duizend levens” zet Philips één en ander op punt (blz. 144 e.v.):

“Ik ben de stichter van het Mechels Miniatuur Theater. De opleiding van een acteur mocht er niet in bestaan, vond ik, uitsluitend kleine fragmenten van toneelstukken te spelen. Verreth zegt dat dat initiatief van mijn studenten kwam. Dat is niet waar: ik nam het initiatief een theater te stichten, om de studenten met het publiek te confronteren. … Burgemeester Spinoy is eigenlijk de motor van het MMT geweest. Hij zei dat ik verder moest doen. Uiteindelijk vond een leerling, Van Horenbeeck, toch een pand. We zijn dan met kaarsen, want het waren avondlessen, naar huize Hemelrijk in de Onze Lieve Vrouwstraat getrokken. Het huis hebben we opengebroken, we waren eigenlijk krakers avant-la-lettre in de jaren 57-58. … Breydenbach (van brouwerij Lamot) heeft beneden de bodega gerestaureerd en de gradins laten maken. Van cinema Rex in Antwerpen kocht ik oude stoelen. Mijn vader maakte een draaitoneel, verzorgde de elektriciteit, de spots enzovoort. Allemaal met mijn centjes, hoor. Ik heb de geboorte van het MMT betaald. Dat heb ik natuurlijk wel min of meer teruggekregen, vooral met de opbrengst van de bar, die het meeste opbracht.
Ik ben slechts een jaar of vier bij het MMT gebleven. Jan Reusens werd de eerste directeur, wordt nu gezegd. Dat is niet waar: er was geen directeur. Ik had de artistieke leiding, die ik later aan Alice Toen heb doorgegeven.
Dat men mijn aandeel in het MMT nu wil minimaliseren, doet me nog altijd pijn.”


Onder andere Jan Reusens, Alice Toen, Frans Dijck, Paula Sleyp speelden in een regie van Luc Philips op 1 december 1956 het avant-gardestuk “De verdwaalde plant” van de Vlaamse auteur Piet Sterckx. Het startschot was gegeven. Met 23 voorstellingen en 780 toeschouwers kon van een onverhoopt succes gesproken worden. Maar de onkosten liepen hoog op en subsidies bleven uit.

Conflicten met collega’s of botsingen met allerlei instanties (overheid, directies, vakbond) dooraderen de lange loopbaan van Luc Philips. Daar tegenover staan ook de echt toffe periodes die Philips tot vriend van iedereen hebben gemaakt. Artistiek bekeken behoren bepaalde stukken die Philips deed in de regie van Walter Tillemans tot zijn beste prestaties. Dat kan een persoonlijke mening zijn, maar afgaande op het oordeel van meerderen en ook van de acteur zelf, die zich naar eigen zeggen bij Tillemans tot grootse dingen in staat achtte, behoren Philips’ vertolkingen in “King Lear” (W. Shakespeare), “Krapps laatste band” (S. Beckett), “De vrek” (Molière), “August August, August” (P. Kohout), “De dood van een handelsreiziger” (A. Miller), “Schweyk in de Tweede Wereldorlog” (B. Brecht), “De tuinman van de koning” (W. Vanden Broeck), tot het beste van wat men van een artiest kan verwachten.

Dat hij zich heeft laten overhalen om bij het Echt Antwaarps Teater (EAT) te spelen (waardoor hij meteen ook als Bompa op de televisiezender VTM terecht kwam), is Luc Philips meer dan eens kwalijk genomen. Maar hij kon zich met dat zogezegde “boulevardtheater” verzoenen omdat hij het soort blijspelen van het EAT niet minderwaardig vond. Bij Johan De Roey in Knack (2 juli 1986) zegt hij: “Voor mij is dat gewoon een challenge, een uitdaging. Ik kan het gewone amusementstheater aan. Dat heb ik bewezen. En dit subtielere personage (bedoeld wordt het personage Pol Mallants in “De tuinman van de koning”) kan ik ook aan. Daarmee is de kous af”.
Een nogal ongenuanceerde verklaring die door Ruud De Ridder, baas van het EAT, wordt aangevuld: “Luc Philips is en blijft een spelend kind. Het is misschien deze gave die van hem zo’n groot acteur maakt. Hij beleeft met intens genot – zoals een kind dat ook kan – elke nieuwe creatie, elk nieuw personage. … Philips is een vat vol tegenstrijdigheden en dat weet hij zelf ook. Maar als je dat kunt aanvaarden, is er heel wat vreugde te beleven met deze onuitputtelijke energiebron.” (De Lamper, blz. 158-159).

Niet iedereen is zoals Luc Philips het was, gezegend met een zo sterke fysieke conditie en een zo goed geheugen. Heel wat oudere spelers (zowel acteurs als actrices) komen na een zekere leeftijd om verschillende redenen niet meer aan de bak. Sommigen zijn blijven steken in bepaalde gewoonten en komen niet meer in aanmerking voor nieuwe spelopvattingen. Het generatieverschil dat veelal uitmondt in een generatiegeschil bestaat ook bij theatermakers. Luc Philips heeft daar blijkbaar weinig last van gehad. Is dat niet het meest vredige gevoel dat een mens, acteur of niet, zich kan wensen als de lichten doven?

Dit artikel werd reeds 295 keer gelezen.auteur(s):Roger Arteel